1 Stoppen en imiteren.
• Rond lopen op muziek
• Stoppen wanneer de muziek wordt stilgezet.
• Doen alsof ze een muziekinstrument bespelen dat in het liedje voorkomt.
De leerlingen kunnen in de maat van een muziekstuk stappen en tijdig stoppen als de muziek stopt.

2 Geluiden imiteren.
• Geluiden van elkaar imiteren.
• Geluiden aan elkaar hangen tot één geheel.
Leerlingen maken allerlei geluiden en gebruiken zichzelf als muziekinstrument. Ze maken een eigen slinger van geluiden.

3 Klapspel.
• Groepen krijgen verschillende aantallen van klappen dat ze moeten uitvoeren.
• Op het einde komt iedereen samen.
Leerlingen klappen en proberen op hetzelfde moment te stoppen door elkaars ritme te volgen.

4 Rap maken over iets lekker dat ze graag eten.
• De leerlingen luisteren naar een rap muziekje en mogen er hun eigen tekstje op maken over lekker eten.
Leerlingen kunnen zelf op een rap liedje een tekst uitvinden.

5 Raden van liedjes.
• Leerlingen zijn per 4 in een groepje.
• Één leerling mag iets neuriën en de rest moet het raden.
Leerlingen raden liedjes door het neuriën van een andere leerling.

6 Geluiden van dieren.
• Leerkracht heeft prenten van dieren.
• Leerlingen doen de geluiden na.
• Dit gaat op een snel tempo en dan kunnen we verschillende groepen nemen met verschillende geluiden.
De leerlingen maken dierengeluiden zo snel mogelijk als dat de leerkracht ze aanduidt.

7 Klasklok met de hele klas.
• Kinderen bouwen tijdmeter.
• De grote klok die sneller en sneller gaat tikken en tenslotte zichzelf met één geweldige slag vernietigd. De klok kan ook trager en trager tikken tot ze stil valt.
• Ze zeggen samen tik en voelen elkaar hier aan.
Kinderen kunnen de eigen drang om deel te nemen afstemmen op het belang van de groep. Ze leren inzien dat op sommige ogenblikken ‘niets doen’ ook een belangrijke bijdrage in het geheel kan zijn.

8 Pluisjesmuziek in groepjes
• Met allerlei materiaal bouwen ze een klanktafereel rond een thema.
De kinderen kunnen geluiden uit hun omgeving voorstellen met instrumenten of met de eigen stem.

9 Wisselzang met hele klas.
• Ze zingen hun liedje in groep.
• Ze spreken tekens af wanneer ze samen zingen, zelf zingen, jongens zingen, meisjes zingen,…
Kinderen kunnen een goed gekend lied in beurt zang zingen.

10 Samenspel.
• Iedereen heeft een vast geluid.
• Andere met een ander geluid moet daar verder op inspelen zodat we een klankverhaal maken.
Kinderen kunnen veel voorkomende geluiden vanuit het dagelijkse leven nabootsen.

11 Raadselspel met de hele klas.
• Kinderen gaan op zoek naar verschillende voorwerpen of instrumenten.
• Enkele verdwijnen en maken hun geluiden. Andere kinderen benoemen deze geluiden zonder voorwerpen te zien. Ze moeten handeling erbij benoemen (wrijven, tikken,…)
Taalvormende activiteit rond handelingen en geluiden. Taalcreativiteit bevorderen door de diverse geluiden te voorzien van zelf gevonden benamingen. Het auditief geheugen trainen.

Extra uitleg bij de tussendoortjes