Drama

1 Verkoppspraatje
De leerlingen kunnen aan de hand van een verkoopspraatje hun product verkopen
Stappen:
• Voorbeeld laten zien
• Lln voorwaarden van verkoopspraatje laten bespreken
• Lln een product laten kiezen in groepjes van 2 - 3 IIn
• Lln een verkoopspraatje laten inoefenen
• Lln hun verkoopspraatje laten voorstellen

2 Vakantie in het water
De leerlingen kunnen een bepaalde situatie weergeven in een tableau vivant.
Stappen:
• Lln iets laten spelen dat te maken heeft met vakantie
• Tableau vivant: wat kan er fout gaan op vakantie? 3 - 4 tableaus (in groepjes)
• Tableaus voorstellen aan de groep
• Van tableau vivant tot vakantievideo: tableau vivant levend maken.

3 Drama vanuit muziek
De leerlingen kunnen muziek associëren met situaties.
Stappen:
• Muziek analyseren
• Muziek associëren met woorden
• Woorden associëren met situaties
• Situaties koppelen aan de muziek
• Lln de situaties laten voorstellen

4 Nasynchronisatie
De leerlingen kunnen aan de hand van nasynchronisatie een scène spelen.
Stappen:
• Voorbeeldsituaties spelen (1ll beeldt situatie uit, Ikr doet bijhorende stem)
• Lln per 2 situaties laten spelen. (ene ll speelt, andere ll doet de stem)
• In groepjes nasynchronisatiescène spelen. Thema 'Iets stiekem doen'
• Nasynchronisatiescénes voorstellen

5 Het onverwachte bezoek
De leerlingen kunnen vanuit informatie over rollen, plaats en situatie een spel improviserend spelen.
Stappen:
Reactiespelen (Iln snel laten reageren)
• Serie A: aanbellen (per 2: ll belt aan, andere ll doet open deze ll weet niet wat de aanbelIer als opdracht kreeg). Andere IIn staan in hoefijzeropstelling.
• Serie B: opendoen (per 2: ll doet open, andere ll staat aan de deur deze ll weet niet wat de opendoener als opdracht kreeg). Andere IIn staan in hoefijzeropstelling.
• Lln in duo laten spelen en improviseren

6 Dobbelen om wie, wat, waar en voorwerp
De leerlingen kunnen een spel improviseren op basis van informatie over rollen, plaats en gebeurtenis.
Stappen:
• Lln laten dobbelen om 4 spelgegevens te verzamelen. (wie, wat, waar en een voorwerp)
• Bespreken welke situaties mogelijk zijn met deze combinaties.
• Lln indelen in groepjes
• Lln laten dobbelen om 4 spelgegevens te verzamelen.
• Lln laten improviseren met deze 4 spelgegevens

7 Inspringspel
De leerlingen kunnen in een wisselwerking van actie en reactie een spel al improviserend spelen
Stappen:
• Voorbeeld spelen (lkr met enkele IIn): Ikr begint een spel, als IIn weten waarover het gaat springen zij mee in het spel, Ikr stapt dan uit het spel.
• Belangrijke elementen bespreken
• De situatie verandert steeds: ll begint, andere ll springt in en verandert de situatie.

8 Een voorstelling: het lezen van een tekst
De leerlingen kunnen een tekst lezen en analyseren aan de hand van 'wie’, ‘wat’ en ‘waar'.
Stappen:
• Toneelteksten uitdelen aan de groepjes van IIn.
• Rolleninterview: andere /In stellen vragen aan de rolfiguur van een ll. Deze antwoordt vanuit zijn rol.
• Wat gebeurt er? Lln bepalen wat er gebeurt, welke gevoelens er door de verschillende personen gespeeld worden.
• Waar speelt het zich af?
• Verslag over de reeds gemaakte afspraken

9 Een voorstelling: het spelen van een tekst
De leerlingen kunnen een tekst vormgeven door rollen te spelen
Stappen:
• Regisseur aanstellen.
• Toneelteksten repeteren in groepjes.
• Wat is er nodig? Regisseur maakt samen met leerkracht afspraken over welke benodigdheden er aanwezig moeten zijn.

10 Een voorstelling voorbereiden
De leerlingen kunnen bij het vormgeven van spel gebruik maken van attributen en kleding.
Stappen:
• Spelen met attributen (generale repetitie)
• De verschillende presentaties + enkele aandachtspunten
• Voorstellen aan een publiek

11 Slapstickfilm
De leerlingen kunnen de kenmerken van slapstick en stomme films met eigen woorden weergeven en uitvoeren
Stappen:
• Kijken naar een stomme film en kenmerken bespreken.
• Kijken naar een slapstickfilm en functie van de muziek bespreken.
• Acteren en komen tot de speeltechniek: slapstick:
• Lln. stappen rond en kruipen in de huid van gekregen personages.
• Ze stappen per 2 rond en samen een gekregen personage in een korte scène.
• Ze vormen groepen van 3 IIn. Ze spelen om de beurt een gekregen actie door steeds meer te overdrijven.
• Ze vormen groepen van 2 IIn. Ze spelen een overdreven reactie op een gekregen situatie (*).
• Oefenen in het overdrijven: vallen, ergens tegenaan lopen, slaan.
• Lln. bedenken en spelen een scène waarin iemand veel pijn heeft.
• Ze vormen (dezelfde) groepen van 2 lln. Bedenken en spelen enkele problemen en pechmomenten in de situatie (*)
• Elke acteursopdracht evalueren.
• De acteursprestaties worden eventueel opgenomen.