Is muzische vorming afhankelijk van de tijdgeest?
  • Waren er vroeger andere benaderingen van het leergebied?
  • En andere namen voor de deelvakken?

Even terug in de tijd
Leervakken als bewegingopvoeding, muzikale opvoeding, beeldopvoeding, … hebben doorheen de voorbije decennia niet steeds de dezelfde functie gehad. Ze werden gezien in een ander, breder kader:

• 1950 in het kader van een introductie in de wereld van de kunst
• 1960 in het kader van persoonlijkheidsontwikkeling : doorheen de kunstvakken meer persoonlijkheid krijgen
• 1970 in het kader van maatschappijvorming en sociale emancipatie
• 1980 in het kader van kunstspreiding en kunstparticipatie.
• 1990 accent op persoonlijkheidsontwikkeling en (inter)cultureel bewustzijn.https://www.dropbox.com/s/k7q0h08ykrpavht/Op%20stap%2015-16.xlsx?dl=0
• 2000 leren omgaan met een (over)aanbod van nieuwe media-inhouden
• 2010 cultuureducatie, mediawijsheid

De activiteiten waarover wij het hebben hebben in de loop der tijden allerlei namen gehad. Vroeger sprak men over ‘zang, tekenen, knutselen en turnen’. Vanaf de jaren ‘70 over de ‘expressievakken’, nu over ‘muzische vorming’. Elke 10 jaar zijn de maatschappelijke omstandigheden anders. Telkens worden de muzische bezigheden in het onderwijs dan anders aangestuurd.
Tijdens deze ontwikkeling is er altijd een spanning geweest (en die is er nog) tussen twee benaderingen : de subjectivistische benadering (nadruk op het uitdrukken van emoties) en de objectivistische (nadruk op ontwikkelen van vaardigheden en technieken).

Twee getuigenissen
Getuigenis man (schooltijd voor 1950)
Het lager onderwijs werd in grote mate gedomineerd door het kerkelijke gebeuren. De catechismus was een boek, en bevatte 41 lessen. iedere leerling moest dit boek letterlijk uit het hoofd kunnen opzeggen. We moesten leder week een les opzeggen. Onze namen werden gerangschikt, de beste mocht don ook als eerste zijn communie doen. Dagelijks de mis bijwonen was een gewoonte waar niet van afgeweken werd. En toch zijn we niet allemaal pastoor of pater geworden. In de klas zongen we bijna nooit. Daarom zochten de leerlingen vaak naar buitenschoolse muzikale activiteiten. In iedere gemeente waren er drie of meer fanfares of harmonies, waar talentvolle liefhebbers zich konden opwerken. Wie zangtalent had, moest naar het kerkelijk zangkoor Bij gebrek aan toestellen en turnmateriaal moesten wij ons beperken tot wat loop- en springoefeningen. Als we wat extra beweging nodig hadden gingen we naar een bal. Jaarlijks gaf iedere verenging een bal. Zo gingen we ieder jaar dansen ten voordele van de brandweer, de boeren, muziek of turnmaatschappij. Dit danstreffen werd zeer verzorgd opgeluisterd door een bekwaam symfonisch orkest. Als jonge knapen waren we vooral getraind op gedichten van Guido Gezelle en Albrecht Rodenbach. Die gedichten moesten we toen voordragen met een goede stijve houding. Er was zeker en vast geen sprake van creativiteit.

Getuigenis vrouw (schooltijd tussen ’60 en 70)
'Nog niet zo lang geleden kwam ik tot de betekenis van Muzische vorming. Zelfs als mijn kinderen in het lager onderwijs zaten kwam dit woord niet aan bod. Bij ons op school was het turnen. Dit betekende ons schooluniform in stilte aantrekken. De turnzakjes bleven een volledig trimester aan onze genummerde kapstok hangen. De les turnen begon met 3 toeren marcheren als opwarming, wat dan iets later 3 toeren lopen werd. De les werd ingedeeld in balsporten, grondoefeningen of toestelturnen. Dit werden een reeks opgelegde oefeningen die we in de juiste volgorde moesten maken. We kwamen om de beurt aan bod. De anderen moesten toekijken. Zwemmen stond om de 14 dagen op het lesrooster vanaf het 5e leerjaar. (Ervoor had de gemeente geen zwembad) Meer dan de helft van de klas kon niet zwemmen en durfde don ook het water niet in tot hoger dan de heupen. Wat voorbereidende bewegingen werden gegeven om tot zwemmen te komen.(kikvors, open, toe) Deze die konden zwemmen mochten baantjes trekken. Deze leerlingen werden door de ouders naar de stad gevoerd voor zwemles en gingen op reis naar de zee. Dan hadden we ook nog versjes en liedjes. Er was een schriftje waar we de liedjes en versjes moesten in overschrijven van het bord. Daarna moesten we de versjes thuis uit het hoofd leren en 's anderendaags op de trede vooraan voordragen. We kregen door punten op articulatie en uitspraak. De liedjes waren de Vlaamse klassiekers zoals 'Loze Vissertje' en 'Wel Annemarieke'. De lerares speelde mee op de blokfluit. Voor het examen moesten we alle versjes en liedjes uit het hoofd kennen. In de klas moesten we dan een briefje trekken en deze brengen voor de klas. Grote stress! Gelukkig lag dit vak me wel. Daarnaast hadden we vanaf het 2e leerjaar ook breien en haken in de meisjesschool. We hadden allen een breitas. Deze moest wekelijks mee naar school om enkele rijen verder te breien of haken. Tegen de week erop moesten we 10 cm verder zitten. We maakten betekenisloze poppenonderbroeken en een tochthond. De tekenles hadden we wekelijks de vrijdagnamiddag het laatste uurtje. We kregen elk een blad en tekenden telkens een andere figuur of voorwerp over: een boom in de herfst, een masker bij carnaval, .. We mochten het met kleurpotloden inkleuren. Dat alles voorpunten op het rapport.